|
|
|
|
|
|
Rentegevoeligheid van beleggingen
Het renterisico is wellicht de grootste vijand van beleggers. Het kan worden onderverdeel in een primair en een secundair risico. Het primaire risico is het ondervinden van nadeel door een rentestijging en het secundaire risico is het niet profiteren van rentedalingen.
De afgelopen jaren hebben obligatiebeleggers volop kunnen profiteren van een reeks renteverlagingen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan, dit tot doel hadden de economie aan te zwengelen. Terwijl aandelenbeleggers hinder bleven ondervinden van de geknapte internetzeepbel met als resultante een
conjuncturele neergang.
Het herstelvermogen van Amerika, de motor van de wereldeconomie, was ook dit keer opnieuw groter dan haar Europese contrahent, waardoor het stelsel van centrale banken in de Verenigde Staten al geruime tijd de kortetermijnrente aan het verhogen is. De Europese Centrale Bank ziet vooralsnog geen noodzaak om een restrictief rentebeleid te voeren. In tegenstelling tot de Federal Reserve. dat een breder takenpakket heeft en gericht is op economische groei, is de
hoofddoelstelling van de ECB de bestrijding van inflatie.
De laatste tijd steekt echter aan weerszijden van de grote plas de geldontwarding de kop op. Renteverhogingen zijn het wapen bij uitstek om inflatie te bestrijden. Dit is echter funest voor beleggers. Het is hierbij onverschillig of u in aandelen of obligaties belegt. Hoewel de relatie tussen obligatiekoersen en het
renterisico complex van aard is, leidt een toenemende geldontwaarding tot een hoger renteniveau die de waarde van obligaties doet dalen, waarbij schuldpapieren met een lange restlooptijd het hardst worden getroffen. Tegelijkertijd drukken renteverhogingen de winst van het bedrijfsleven, waardoor aandelen als belegging minder lucratief worden en de onderliggende beurskoersen dalen.
Het obligatiegedeelte van een beleggingsportefeuille dat voor drie-kwart uit schuldpapieren met een gemiddelde restlooptijd van drie jaar bestaat, zal bij een rentestijging van twee procent een waardedaling van 4,4 procent ondergaan. Indien u vijf procent in liquiditeiten aanhoudt, moeten uw aandelen 21,6 procent plussen om dat jaar geen verlies te lijden. Om de opbrengst van een spaarrekening te evenaren, moet het aandelengedeelte 41,1 procent opleveren.
Is het inflatiegevaar dan zo groot? De geldontwaarding uit de jaren tachtig en negentig waren terug te voeren tot de geldhoeveelheid, terwijl de infaltie uit de jaren zeventig origineerde in de prijsontwikkeling van grondstoffen zoals nu. Houdt dit in dat de inflatie het record van 1974 zal breken? Het zorgt er wel voor dat centrale banken moeten afrekenen met een volatiele inflatieontwikkeling. En dus ook de beleggingsgemeenschap.